Herinnering aan een Bacchante

Onlangs heb ik weer eens wat oud proza opgeduikeld en ben nu begonnen met met de 2.0 versie. Hier een eerste product:

HERINNERING AAN EEN BACCHANTE

Verbaasd, bijna geschrokken keek ik mijn buurmeisje aan: “Het verhaal van de vrouw uit de bergen?”
Ze zat recht tegenover me in de kamer. Andere meisjes zouden bedeesd hun ogen hebben neergeslagen bij zo’n verbaasde reactie, maar zij verblikte of verbloosde niet, toonde geen spoor van verlegenheid en wendde haar donkere ogen geen moment van me af.

Twee keer eerder had de wildebras bij me aangebeld. Nog voor ik de deur had geopend was ze al weggehuppeld, lachend naar het grasveld, om daar met haar lenige lijf te gaan stoeien met een paar vriendinnen.
Pas de derde keer dat ze aanbelde bleef ze onbeschroomd lachend voor de deur staan. Op mijn vraag wat ik voor haar kon doen haalde ze haar schouders op. En daar stond ik dan. Op een belachelijke manier mijn eigen gedachten afgrazend naar haar motieven. Met al mijn levenswijsheid in verlegenheid gebracht door de onbevangenheid van de jeugd. Voor mijn doen nogal vriendelijk vroeg ik of ze mijn huis wilde zien. Of kwam ze alleen om de gekke buurman eens te bekijken?

“Nee, het verhaal van de vrouw uit de bergen ken ik niet,” zei ik. “Vertel eens.”
Doodgemoedereerd zei ze het zelf ook niet te kennen. “Ik wil dat u het verzint.”
Ik stelde voor om het verhaal dan samen te verzinnen en vroeg of ze weleens in de bergen geweest was.

Het zonlicht viel als een stortbad van twinkelende spetters door het bamboe afdak omlaag. In het poëtisch muzikale ritselen van bladeren hoorde ik een lang vervlogen melodietje en in mijn halfslaap zocht ik wat stuntelig naar een aanknopingspunt met de tijd waarin het populair was geweest. Juist toen er iets begon te dagen werd er heftig aan mijn hangmat geschud: “Ik heb er een gezien! Een vrouw uit de bergen!”
Terwijl het stemgeluid traag en rommelend tot mijn bewustzijn doordrong dacht ik het silhouet van een over mij heen gebogen vrouw te zien. Scherp stak haar donkere lichaam af tegen het licht dat door het bamboe afdak binnenviel. Nadat ik een paar maal met mijn ogen had geknipperd bleek het silhouet een zwarte versie van mijn reisgenoot te zijn. “Hé, ik heb er een gezien. Luister nou!”
Evenals anderen die beweerden er een gezien te hebben had hij niet meer dan een glimp van haar opgevangen. Maar de volgende dag, en zoveel dagen als nodig waren om er nogmaals een te zien, zou hij de bergen in gaan. Hij moest en zou een keer met een van hen praten, aanraken, en …
Ik bood hem een koel biertje aan. We dronken een paar glazen en in vervoering vertelde hij over zijn ontmoeting. Ik luisterde amper. Keek in een moment zonder motief dromerig naar de bergen, die langzaam donkerder werden in de opkomende schemering; zwarte silhouetten tegen een diep azuren lucht. Een paar sterren prikten al door het donkere gordijn en een verfrissende wind stroomde vanaf de hellingen de vallei in. Even later slenterde ik naar de rivier. Alleen. Mijn reisgenoot ging al slapen omdat hij bij het krieken van de dag weer op zoek wilde. In de schemering luisterde ik naar het stromen van het water, het rollen van het grind over de rivierbedding en de geluiden van het nachtgedierte.

“Zat u te dromen?” vroeg ze.
Nog wat afwezig probeerde ik haar onpeilbare mimiek te interpreteren. Onderweg naar de keuken om iets te drinken te halen streek ik vluchtig met mijn hand over haar volle donkere haardos, waarbij plotseling een oud zondebesef opdook.
“Een vrouw uit de bergen praat als een kraai,” zei ze giechelend, “en zit helemaal vol met rimpels.”
Onbekend is per definitie lelijk, dacht ik. Pas later, als de dagelijkse sleur al maar benauwender wordt, gaan we hunkeren naar dat andere, dat exotische. Maar meestal zijn dan de voeten al vergroeid met de grond waarop ze te lang hebben gestaan.
Tegen etenstijd moest ze naar huis. Ik vroeg met een omfloerste stem of ze de volgende dag terug wilde komen om het verhaal af te maken. “Misschien,” zei ze, maar ze dacht van niet. Later besefte ik dat ik er belachelijk en als een tot op het bot zielig mannetje moet hebben uitgezien.
Buiten viel inmiddels een druilerig regen, fijne druppeltjes die het water in de sloot een matte glans gaven. Onder de lampen langs de snelweg hingen kegels geelwit licht in een grijzige mist. En plotseling deed die combinatie van licht en matte glans me aan Simone denken. Aan die avond dat ze bloot en roerloos in een hoek van de kamer stond, met achter haar een paar witte lakens. In de tegenoverliggende hoek stond ik met een camera de kleinburgerlijke zekerheid van het toenmalige heden vast te leggen.
Ik ging nog even een café in, dronk een paar pilsjes en observeerde bekenden. Samenklittend en elkaar afstotend waren ze als trillende atomen in beweging. Beweging omwille van de beweging, omdat de wetten van de fysica ons dat nu eenmaal hebben opgelegd. Daarna dwaalde ik door de natte stad. Sloeg hoeken om, liep over glimmende keien, langs zoete bekoring en stille verlokking, door lange straten die richtingen wezen, al maar verder naar straten die kwamen. Wat kwam dat ging, zoals alles wat komt weer gaat. Omdat ons perspectief verandert. Omdat we leven.
Nat van de regen kwam ik thuis, trok mijn kleren uit en kroop in bed.

Enkele dagen nadat mijn reisgenoot met zijn eerste succesje de smaak te pakken had gekregen vroeg hij of ik zin had om samen met hem de bergen in te gaan. Ik nam de uitnodiging aan, niet om te gaan zoeken naar een schimmig ideale vrouw, maar om de rust, de natuur en de lichaamsbeweging die ik dacht nodig te hebben. Wanneer hij echter de geile, naar oervrouwen smachtende antropoloog wilde spelen zouden op dat moment onze wegen zich scheiden.
De dag daarop vertrokken we, nog voor de zon zich van de aardrand had losgemaakt. Met de oude Landrover konden we zo’n tien kilometer stroomopwaarts langs de rivier rijden. Daar, bij een vijftal door klimaat en vegetatie aangevreten leegstaande hutten, eindigde het weggetje en begon het vrijwel nooit gebruikte pad de bergen in. Nadat we de bedrading van de auto onklaar hadden gemaakt, tegen diefstal, begonnen we zwijgend te lopen, kapten zo nu en dan een blad weg, een luchtwortel, een tak. Langzaam gingen we omhoog, hijgend en zwetend. Maar wat was zweten in al dat vocht, tussen al die druppels die van de bladeren vielen, de drassige grond en het haast natte, onwerkelijke licht? Later, en hoger in de bergen, werd het droger, waren er meer rotsen en was de begroeiing minder weelderig. Op de bergpas aangekomen gooide ik mijn rugzak af en ging in de schaduw met mijn rug tegen een rotsblok zitten.
“Hier was het,” zei hij. “Hier heb ik haar gezien.”
Ik keek uit over het voor ons liggende groene dal, de meanderende rivier en de besneeuwde bergtoppen aan de overkant. We aten wat, sliepen een poosje en gingen verder, bergafwaarts nu. Het lopen was minder inspannend dan we hadden verwacht. Tegen de schemering besloten we het die dag voor gezien te houden. We waren halverwege de helling en de grillige schaduwen tussen de rotsen en de duisternis onder de bomen maakten het lopen moeilijk.

Halverwege de volgende middag zat ik uit te rusten aan de oever van de rivier. Het heldere water, dat woest en bruisend door de rotsachtige bedding stroomde lichtte sprankelend op in het zonlicht. Op de oevers groeiden heesters, die zich met klimwortels aan rotsen en bomen hadden gehecht. Eén van de heesters, die half in het water hing, werd beetje bij beetje losgerukt. Net toen ik verlangend over een uit het oog verloren vriendin zat te mijmeren kwam mijn reisgenoot aanrennen: “Ik heb ze gezien! Wilde vrouwen heb ik gezien!”

Ik zag haar voor me staan, met haar gezicht dat als een donkere zon over me uitstraalde, dat al zo vaak mijn wekere krachten had losgesmolten uit mijn omhulsel van ijzigheid. Indringend en doorgrondend keek ze me aan.
“Simone,” stamelde ik. “Ik had nooit verwacht dat … dat ik je ooit weer zou zien.”
Zwijgend omhelsden we elkaar en voelden weer die tomeloze kracht die ons in lang vervlogen nachten tot goddelijk bezielde wezens had gemaakt. Ik rook haar geur die me vroeger zo bedwelmde en die ik voor altijd vervluchtigd had gedacht. Ik hoorde weer de ijle, tijdloze muziek, die al in de schoot van het leven gecomponeerd was en die door steeds weer nieuwe generaties werd overgeleverd met ritmische klanken, zang en dans. In flitsen schoten herinneringen voorbij aan verre nachten, de ingetogen strelingen, het innerlijk getintel en het onbevreesd verdwalen in het paradijs van haar ogen.
Ze vertelde me over andere werelden, waar wondere verlokkingen haar als bereikbaar waren voorgehouden, over het samenzijn met haar eensgezinde zusters en over de feesten en de heerlijke wijn die alle pijn verdreven had.

Mijn reisgenoot ging weer naar de vrouwen. Zoals eerder zag ik dat ook dit keer niet zitten en trok in mijn eentje verder de bergen in. Daar overdacht ik dat veel mannen een vrouw als archetypisch doel zien, niet als middel dat mee-ontwikkelt naar een hoger doel van voldoening. En als een doel eenmaal bereikt is, is het in vrijwel alle gevallen al grotendeels verloren.
Op een ochtend, de tweede of derde nadat ik mijn reisgenoot had achtergelaten, werd ik vroeg wakker. Het paarlemoeren ochtendlicht priemde als naalden in het met mistsluiers gevulde dal. Plotseling zag ik bij de rivier het silhouet van een vrouw tegen het wit bruisende water. Ze had haar benen opgetrokken. Haar armen lagen over elkaar geslagen op haar knieën. Vastberaden keek ze me aan.
“Je reisgenoot,” zei ze, “werd handtastelijk en verstoorde onze rituelen. We hebben hem gestraft.”
Bijna ogenblikkelijk besefte ik de volle omvang van dit drama en begon huilend te stamelen; losse flarden over domheid en onrecht. Even legde ze troostend een hand op mijn hoofd. Daarna verdween ze in het zonlicht, dat bijna cynisch een gouden sluier over het dal trok. Het was al tegen de avond toen ik haar weer zag komen aanlopen, gracieus, zoals mijn reisgenoot me ook had verteld dat ze liepen. In haar handen droeg ze een houten kom, die ze me zonder iets te zeggen aanreikte. Zwijgend at ik de inhoud op, terwijl zij tegenover me op de grond zat en me medelijdend aankeek. Plotseling begonnen haar mondhoeken te trillen en barstte ze in een heftig huilen uit. Het zonlicht brokkelde langzaam af. Gloeiende as viel dovend achter bergen. Op honderden kilometers afstand dacht ik het klaaglijk gekrijs van meeuwen te horen aan de kust van een grauwgrijze zee. Ik sloeg mijn armen om haar heen, wiegde haar en hoorde mijzelf zeggen: “Het gaat allemaal voorbij, Simone. Overal, in je gevoel, in de tijd. Soms duurt het lang, soms kort, maar het gaat voorbij.”
Het zachte geluid van mijn stem verwaaide in het fluisteren van de wind, alleen de s-klanken ontstegen het en maanden tot groter stilte: “sss… sss…”
We gingen liggen op wat verdroogd gras, kropen onder mijn slaapzak. En zoals vaak wanneer een man en een vrouw in de warme intimiteit van de avondschemer elkaars nabijheid vinden zochten we troost in elkaars armen, vrijden we toekomst, heden en verleden aaneen, gingen de laatste gordijnen dicht, werd het nacht.

‘s Middags om een uur of drie kwam mijn buurmeisje weer langs. Ze zat overbelicht in de zondoorschenen kamer en zei: “Ik heb nagedacht. Ze zijn helemaal niet eng, maar gewoon, net als ik en alle anderen.”
“Misschien wel,” zei ik, en begon in een bureaulade naar foto’s te zoeken. “Kijk, dit is er een, een vrouw uit de bergen.” En ik liet haar een foto van Simone zien.
“Ze lijkt op mij,” zei ze, met een stem die overliep van verbazing. “Zie je nou wel!”

© 1994/2015 Adrie Krijgsman

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

* Copy This Password *

* Type Or Paste Password Here *