Stadslezing

Op 20 oktober 2008 uitgesproken tijdens het Strax # 5 festival voor de deur van RTV Drenthe aan de Beilerstraat in Assen.
© 2008 Adrie Krijgsman, Assen NL

Cultuur en de stad. Tik je deze twee woorden in bij Google dan krijg je bijna 5 miljoen resultaten. Je mag er dus wel van uitgaan dat er een belangrijke relatie is tussen Cultuur en Stad. Als we met ‘de stad’ beginnen, kunnen we niet om de definitie van een stad heen, dus wat is een stad?
Een stad is in elk geval meer dan een hoeveelheid mensen. Assen heeft 66.000 inwoners en die zou je bij wijze spreken gemakkelijk in een groot stadion kunnen proppen. Toch is zo’n stadion daarmee geen stad. Evenmin is het TT Circuit tijdens de TT een stad, hoewel je daar wel, zij het tijdelijk, kunt wonen, al is het dan in tentjes of caravans. Ook hoef je er geen honger te lijden want er is eten te koop.
Het onderscheid tussen steden en dorpen wordt meestal gemaakt op grond van de grootte (het aantal inwoners) of het voorzieningenniveau. Waar dorpen zich kenmerken door een landelijk karakter, weinig voorzieningen en een hechte gemeenschap, zijn steden dichter bevolkt en bezitten meer voorzieningen: scholen, ziekenhuizen, een schouwburg, grotere stations, et cetera.

Zoals gezegd, een vol stadion is nog geen stad. Het zijn dus met name de voorzieningen die een stad tot stad lijken te maken. Voorzieningen die blijkbaar in een behoefte voorzien, want de verstedelijking gaat overal in de wereld voort. In Europa ruwweg sinds de middeleeuwen, en is nu bijna voltooid. In Azië en Zuid-Amerika is de verstedelijking nog in volle gang en in grote delen van Afrika begint de verstedelijking nu pas op gang te komen.
Zo’n verstedelijkingsproces heeft ook hier in Drenthe plaatsgevonden. Een paar eeuwen geleden was heel Drenthe nog platteland en tot op de dag van vandaag wordt er met alle macht en ijdele hoop geprobeerd het platteland leefbaar te houden, want, u raad het al, het voorzieningenniveau is in landelijke gebieden vrijwel niet op peil te houden, althans niet op het niveau dat tegenwoordig wordt vereist.

Voor mij persoonlijk is een stad een plek waar in elk geval een behoorlijke hoeveelheid mensen woont, waar huizen winkels en bedrijven gevestigd zijn. Bedrijvigheid is voor mij dan ook één van de doorslaggevende factoren. Zonder die bedrijvigheid krijg je de doodse woonsteden, die we ook wel slaapsteden noemen. Meestal zijn dat de buitenwijken, als gevolg van de suburbanisatie – mensen willen wel ‘een beetje’ buiten wonen maar toch de voorzieningen binnen handbereik houden.

Een stad is ook een plek waar je veel mensen kunt ontmoeten, maar er tegelijkertijd veel kunt ontwijken. Dit in tegenstelling tot een dorp, waar je elkaar wel kunt ontmoeten, maar niet kunt ontwijken. Er wordt wel vaak gesteld dat er op het platteland of in de dorpen een hechter gemeenschapsgevoel is, maar dat geld dan voor de totale gemeenschap. Ook in steden vind je namelijk dat gemeenschapsgevoel terug, maar dat is dan onder subgemeenschappen, mensen met gezamenlijke interesses, vriendenclubs, et cetera. Je kunt daar dus kiezen bij welke subgemeenschap je wilt horen.
Een stad geeft daarmee vrijheid, waar een dorp meer een sociale gevangenis is, een gevangenis waarin je je prettig kunt voelen zolang je je conformeert aan de gangbare normen. Ontwijken kan daar niet en dus kun je er óf wonen, óf je ontsnapt. Een stad heeft in mijn optiek ook een andere dagindeling dan een dorp. In een beetje stad gaat de bedrijvigheid dag en nacht door. In het uitgaansleven, maar ook in bedrijven die er zijn gevestigd, ziekenhuizen of de drukkerij die uw ochtendkrantje maakt.

Een ander verschil is dat er in een stad voor vrijwel alle rangen en standen, klassen en rassen iets van gading te vinden is. Dus zowel voor het grote, brede publiek als voor de fijnbesnaarde intellectueel, voor kroegtijgers, dichters, dominees. Met deze laatste voorbeelden komen we al aardig in de buurt van Cultuur. We zijn nog niet bij de Kunst, die zowel beeldend, literair of anderszins kan zijn, maar die ontegenzeggelijk bij de cultuur in een stad hoort. Het gaat ook daarbij weer om diversiteit, om vrijheid in een stad: Je moet ook cultuur en kunst kunnen ontmoeten en ontwijken. Elk hoort er iets van zijn gading te kunnen vinden en hoort daarbij gelijkgestemden te kunnen ontmoeten.
Vorige week hadden we hier in Assen nog het Festival De Ontmoeting, dat draaide voornamelijk om de ontmoeting met andere culturen. Daarnaast hoort ook de ontmoeting met gelijkgestemden mogelijk te zijn. En juist dit scala aan mogelijkheden maakt een stad interessant en daarmee misschien ook ingewikkeld, want je moet er meer keuzes maken dan op het platteland, waar volgens sommigen het leven traditioneel bepaald voortschrijdt – een wat nostalgische, achterhaalde opvatting.

Waar eeuwenlang de landbouw de economie bepaalde, later de koloniale expansie, die toen al vanuit de steden plaatsvond, kwam de echte grootschalige verstedelijking tot stand met de industriële revolutie en werden de steden de motoren van de economische vooruitgang (hoeveel armoede en ontbering daar ook te vinden was).

Nu, in de 21e eeuw is de menselijke creativiteit de motor voor economische groei. En die vindt, ondanks de mobiliteit en het thuiswerken, voornamelijk plaats vanuit de steden, vanuit universiteiten en innovatieve bedrijven. Met de name de Amerikaanse econoom Richard Florida, heeft daar in zijn boek The rise of the creative class sterk de aandacht op gevestigd.
Ook in Nederland is de creatieve economie doorgedrongen in alle sectoren van de samenleving. De begrippen ‘creatieve klasse’ en ‘creatieve stad’ hebben hun weg gevonden naar beleids- en opiniemakers op het terrein van de stedelijke samenleving.
In 2005 kwam Florida met een vervolg op The rise of The Creative Class, namelijk The Flight of The Creative Class. De betekenis van flight is hierbij tweeledig. De creatieve klasse neemt niet alleen een vlucht in omvang, zij slaat ook letterlijk op de vlucht. Namelijk wanneer tolerantie en diversiteit bedreigd worden. In de Verenigde Staten is de openheid naar minderheden en buitenstaanders drastisch afgenomen, met als gevolg dat de creatieve klasse vertrekt naar meer open landen als Canada of Australië. De creatieve klasse zoekt immers niet alleen een uitdagende baan, maar ook tolerante, levendige community’s. Zij is buitengewoon mobiel en bereid te verkassen in de zoektocht naar de ideale sociale, culturele en economische kansen.
Volgens Florida heeft elke stad een ziel, die anders is dan van andere steden, en een grote invloed heeft op het menselijk welbevinden. Dat welbevinden wordt naast je persoonlijke relaties en je werk namelijk voor een groot deel bepaald door de plaats waar je woont en de community waar je deel van uitmaakt. Daar zoek je schoonheid, diversiteit, openheid. Als je dit als stad niet kunt bieden, dan exporteer je die creativiteit, aldus Florida. Dat betekent dat je in talent hebt geinvesteerd zonder dat het uiteindelijk iets oplevert. Hij zegt dat het dan ook niet gaat om een creatieve klasse, niet om een creatieve economie, maar om het realiseren van een inclusive creative society. En een proactieve, open samenleving is daar een belangrijke randvoorwaarde voor.

Creativiteit vormt met andere woorden de basis om de maatschappij van de toekomst draaiende te houden. ‘Productie zonder hoge toegevoegde waarde is niet langer de motor van de economie. Die plaats is overgenomen door de menselijke creativiteit, die zowel tot uiting komt in onderzoek en ontwikkeling, als in cultuur, communicatie, design en informatica.’ En die creativiteit vind je niet zozeer op bedrijfsgrond nabij autosnelwegen, spoorverbindingen of zeehavens, maar wel in de steden. Steden met een sterk sociaal leven, diversiteit en animatie (bezieling), zijn de aantrekkingspool voor creatief talent.
Samengevat: de mensen komen niet naar steden waar werkgelegenheid is. Het is omgekeerd: werkgelegenheid verhuist naar steden en regio’s waar veel talent woont.

Een succesvolle stedelijke omgeving is er een die talent kweekt, koestert en aantrekt, die onderzoek genereert en wetenschappers aan zich weet te binden én die openstaat voor buitenstaanders. Uit onderzoek van Florida blijkt dat de aanwezigheid van kunstenaars (de zogenaamde Bohemian Index) en homo’s (de Gay Index) een bewezen positieve invloed heeft op het vestigingsklimaat. Culturele en etnische diversiteit is belangrijk om open te kunnen staan voor innovaties.

Om tot Assen terug te keren: Assen exporteert zijn creatieve talent in plaats van het vast te houden. Getalenteerde Asser kunstenaars en leergierige, ambitieuze jongeren, dus de potentiële wetenschappers, vertrekken naar een beter ‘klimaat’. Die kunstenaars worden soms door DeFKa nog even teruggehaald en in het zonnetje gezet in een poging daar toch vooral aandacht aan te blijven schenken.

Assen heeft lang de keuze tussen stad en platteland niet durven maken, maar lijkt zich momenteel meer op het stedelijke aspect te willen richten, met zelfs aandacht voor de creatieve stad. Echter, hoezeer Assen haar best doet om de stad een culturele impuls te geven met festivals, er moet meer gebeuren. De traagheid in het Cultureel Kwartier en een verjaarde cultuurnota waarvan de update weer is vertraagd, spreken in die zin boekdelen.
De festivals die in Assen plaatsvinden zijn in mijn optiek meer amusement dan dat ze leiden tot een creatieve dynamiek en getuigen in die zin meer van een plattelandsfestijn dan van de hoogwaardige creativiteit die een creatieve stad zou moeten kenmerken.
Kortom, er is een aanzetje, hoopgevend, maar ook niet meer dan dat. Klagen dat de rijksoverheid de cultuurgelden onvoldoende naar het Noorden sluist, zoals onlangs weer gebeurde, is geen optie tot verbetering. Want, zoals Joep van Ruiten in het Dagblad van het Noorden schreef: “Het probleem van de cultuurcenten en de kloof met de Randstad zit dieper. En het is niet alleen een kwestie van het westen tegen de rest. Er zijn op dit moment – met name in Drenthe en Friesland – te weinig aansprekende instellingen die een gezamenlijke claim van 25% meer kunnen rechtvaardigen. En dat is iets wat het Noorden zelf op orde moet zien te brengen. Te beginnen met hulp van provincies en gemeenten.”

De rijksoverheid stelt in die zin andere prioriteiten dan Assen en de Provincie Drenthe. De Provincie zet haar middelen voor een groot deel in op de landelijke gebieden – wat overigens ook tot haar taak behoort -, de gemeente zet in op de weinig ambitieuze festivals, en beide zetten in op cultuureducatie en het bereiken van de bevolking, maar schenken weinig aandacht aan de andere voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een creatieve stedelijke ontwikkeling: kwaliteit, een onderzoekende houding, ateliers en cultuurverzamelgebouwen tegen een schappelijk huurtarief, een bezielend en ook op productie gericht Cultureel Kwartier en tenslotte een goede culturele agenda. Want om met veel bombarie de zoveelste nieuwe site op het internet te plempen is geen prestatie, dat kan tegenwoordig elke middelbare scholier.

Kortom, ik mis nog steeds een krachtige, culturele lange termijnvisie, zonder opvulling met allemaal o zo leuke dingetjes of instituten zonder toevoegende waarde in het Cultureel Kwartier.
De Asser politiek kan geen ijzer met handen breken, maar een ‘creatieve stad’ heeft daarvoor natuurlijk de slijptol, snijbrander of thermische lans paraat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

* Copy This Password *

* Type Or Paste Password Here *